IMG_6396-small

Fryske Taal Museaal

In de Museumweek afgelopen april is de eerste en enige Fryske Taal Museaal-Zuil onthuld door Tweede Kamerlid Lutz Jacobi. Het Natuurmuseum heeft deze zuil ontwikkeld om aandacht te geven aan het belang van de Fryske taal als de tweede rijkstaal van Nederland. Hier krijgen bezoekers algemene informatie over (de geschiedenis van) het Fries, waarna ingegaan wordt op het ‘Fries Natuurlijk’: het Fries in relatie tot de collectie van het museum. De Fryske Taal Museaal-Zuil is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de Afûk en kan aangepast naar de eigen collectie ook door andere musea in Fryslân gebruikt worden.

Grutsk

De meeste Friezen zijn nogal grutsk (trots) op hun provincie en op hun moedertaal.
Welbekend is het rijmpje ‘bûter, brea en griene tsiis, wa’t dat net sizze kin, is gjin oprjochte Fries’ (boter, roggebrood en groene kaas, wie dit niet kan uitspreken is geen echte Fries).
Het Fries wordt vooral mondeling gebruikt en met een beetje inspanning is het ook voor niet-Friezen heel redelijk te volgen.

 

Natuurlijk Fries

Mussen tsjilpen niet in het Fries maar het zijn in Fryslân wel mosken.
Voor veel Friezen is hun wereld van lucht, water en ruimte nauw verbonden met de Friese taal. Van die taal hebben ze de woorden gekregen om de wereld om hen heen te benoemen.
Een kievit is dus een ljip en een protter is pas een echte spreeuw. Zo is voor alle planten- en dierennamen een officiële Friese naam vastgesteld. Het Natuurmuseum Fryslân heeft zijn collectie dan ook drietalig geregistreerd: Nederlands, Latijn en Frysk!
Soms is dat heel simpel, een kat is namelijk ook een kat in het Fries net als een koekoek of een aster.
Andere namen zijn een letterlijke vertaling: Skerpe sigge [scherpe zegge] seeduvel, sulvermiuw.
Maar ljip (kievit), klyster (merel) en protter (spreeuw), púnkêddeblom (smal streepzaad) en poddeblêden (ridderzuring) kunnen niet zonder vertaling.

Het valt op dat de Friese namen soms vanuit een heel ander perspectief zijn gegeven:
De slaapbol (papaver) heet in het Fries moankop (letterlijk ‘maanhoofd’) en mierik is heel veelzeggend piperwoartel (‘peperwortel’).
De kievit is verreweg de belangrijkste weidevogel van Fryslân. Zo belangrijk dat er ook een maritieme versie van bestaat: de strânljip (letterlijk ‘strandkievit’, in gewoon Nederlands de scholekster).
Grappig is de benaming voor dubbelloof: mantsjes en wyfkes (‘mannetjes en vrouwtjes’).
Een mooie omkering is te zien bij de nachtzwaluw, die in het Fries deislieper (‘dagslaper’) heet.

De Fryske Taal Museaal-Zuil is te zien in het Rabobank Atrium van het museum.

IMG_6396-small